Lettergrootte vergroten Lettergrootte verkleinen
Een weinig roken... Rens Kopmels - Teksten

» Home
» Links
» Contact
» Zoeken
» Nieuws

» Preken
» Meditaties
» Artikelen
» Columns


[ vorige -  omlaag -  genre - volgende ]  Tekstgrootte aanpassen  Tekst afdrukken  Link mailen

Theologische notities 2012

Vanuit de behoefte enige in de loop van mijn vijftigjarige bestaan als theoloog ontstane en verworven inzichten helder te krijgen is de onderstaande tekst tot stand gekomen. Van de onvolledigheid en voorlopigheid ben ik me bewust. Het kan en moet steeds weer anders gezegd worden; en veel bleef ook ongezegd.


Het zijn theologisch-wijsgerige notities. Drie vrij lange, twaalf kortere en slechts los samenhangende. Het is dus geen artikel, nog minder een traktaat. ‘Penséees’, zou ik ze misschien willen noemen, als de toespeling op de beroemde van Pascal niet al te pretentieus was.


Ik schreef ze voor mezelf, veranderde en verbeterde ze eindeloos. Daar zet ik door deze publicatie op mijn website nu een punt achter (of misschien een komma). Mogelijk zijn ze ook anderen tot steun of stichting.


De Bijbelcitaten zijn meest uit de NBG, omdat die me het vertrouwdst is. Het liedboek is het ‘Liedboek voor de Kerken’ om dezelfde reden. Veel ontleende ik en dank ik aan anderen uit heden en verleden. Ik noem hen om hen daarmee eer te bewijzen zonder hen steeds nauwkeurig te citeren. Het hunne heb ik tot het mijne gemaakt en ieder mag het mijne tot het zijne (of hare) maken. We spreken en schrijven in de ruimte van de kerk, niet in de academie van de wetenschap en in de eerste kennen we geen plagiaat. We leven er niet alleen van het Woord uit de hoge, maar ook van elkaars woorden en gedachten, die we wisselen en uitwisselen. Reacties op mijn e-mail zijn welkom.


Over het bestaan van God


De vraag lijkt essentieel: bestaat God of bestaat Hij niet. Dit dilemma noopt, althans schijnbaar, tot een keuze. Als God niet bestaat zou elke theologie een loze aangelegenheid zijn. Een ‘flatus vocis’. Al zou dat allerminst betekenen dat het (menselijk) bestaan daarmee geen raadsel, geen vraag of geen probleem zou zijn. Bestaat God wel dan lijkt dat te betekenen dat ‘alle dingen’ en ook het menselijk bestaan een funderende, alles omvattende en zingevende grond zouden hebben. Niets is toevallig, niets zonder oorzaak of reden. ‘Nihil sine ratione’. (Leibniz) Alle dingen zijn in beginsel transparant tot op deze grond. Dat wil zeggen tot op God, als de diepste grond of het hoogste zijn, de eerste oorzaak of de ‘ombewogen Beweger’ (Aristoteles). De religie verbindt alles tot één omvattend geheel. Er is eenheid in de veelheid, een verborgen orde achter de ervaren wanorde van het bestaan. Leven in overeenstemming met deze orde en deze noodzakelijkheid is leven in harmonie met het Al (‘in tune with the universe’) en dat stemt tot dankbaarheid. ‘Beglückt am Sein’(Goethe) leven we het leven in ‘optima forma’. Het is bestaansvolkomenheid. De religie belooft en schenkt rust en geborgenheid. Alles heeft zijn goede zin. Dit alles en allen omvattende mag God heten. God als de grond en daarmee de verklaring en de rechtvaardiging van alles wat is en alles wat er gebeurt.


God dus als dragende grond van al het zijnde. Die gedachte is ook veel, heel veel christelijke theologie zeker niet vreemd. ‘The round of being’ en ’s mensen ‘ultimate concern’, om hier alleen enkele kernbegrippen uit de theologie van Paul Tillich te noemen. God als de ‘Ursache’ in en van alle zaken.


Maar in de Joodse geschriften (van het OT en het NT) heerst ‘de tucht van het zwijgen’ (Van Klisdonk) als het gaat om de oorsprong en de oorzaak van de bestaande dingen. Evenals de naam van God niet mag worden uitgesproken en er, anders dan bij voorbeeld in Egypte, nauwelijks een voorstelling bestaat van een leven na de dood, weet het joodse geloof niet van een laatste grond waarop alles berust of van een eerste oorzaak waaruit alles voortkomt.


Zo komt HIJ niet of nauwelijks ter sprake, noch in het Oude, noch in het Nieuwe Testament. De mensen en de dingen worden in het aanzijn en op het toneel geroepen door het scheppende Woord, dat van Hem uitgaat. Afgezien van dat hen roepende Woord zijn de dingen er misschien wel, maar niet noodzakelijk. Contingent en ongerechtvaardigd. Alleen de oproep, de aanspraak, het gebod rechtvaardigt hun bestaan en bevrijdt hen tevens uit de zinloosheid en doelloosheid waarin ze zouden verzinken, indien ze niet geroepen werden hun rol te spelen en hun functie te vervullen op het toneel van de wereld en in het drama van de geschiedenis.


De dogmatische notie ‘creatio ex nihilo’ (‘schepping uit het niets’) houdt in dat de schepselen niet in God hun vaste grond vinden of hebben. God is hun Schepper en tussen Hem en de schepselen is geen zijnsgelijkheid of zelfs maar zijnsverwantschap. Transparant tot op God als hun grond zijn het menselijk bestaan en de wereld dus niet. ‘Niemand heeft ooit God gezien’ (Joh. 1:18). God wordt niet openbaar in het zijnde, maar Hij openbaart zich aan het zijnde. Er is dan ook geen kennisweg vanuit de wereld of vanuit de mens naar God. Alle zijnsovereenkomst (‘analogia entis’) tussen mens en wereld enerzijds en God anderzijds is daarmee afgewezen. Elke ‘natuurlijke theologie’ is daarom wezensvreemd aan de Schriften.


God is ‘anders dan zijn’. Deze intrigerende uitdrukking van Levinas, ‘autrement qu’être’, lijkt adequater dan die van God als het hoogste zijn. Het Opperwezen. Het schepsel is een ‘être séparé’, ja, een ‘être athée’, een godloos wezen. Het heeft geen deel aan God als zijn eeuwige grond of aan de eeuwige ideeën zoals bij Plato. Van God is sprake in zijn spreken, in het Woord dat van Hem uitgaat en waarin Hij het bestaan bezoekt, bedoelt en bezielt en daarmee bevrijdt uit de onverschilligheid en de neutraliteit van het nietszeggende zijn. ‘Adam, waar zijt gij?’ ‘Kaïn, waar is uw broeder?’ Dat zijn de eerste woorden die de mens in de bijbel te horen krijgt en die hem op het appèl roepen. Van een ‘homo sapiens’ weten bijbel en kerk niet. Van stonde aan gaat het om de verschijning van de ‘homo humanus’. Daarop wacht de dorre akker (Gen. 2:5b) en ‘de schepping in haar vruchteloosheid’ (Rom. 8:19, 20)


Noch dat God is, noch ook dat Hij niet is, is gemeten aan het bijbels getuigenis adequaat uitgedrukt. Beter is het te zeggen dat Hij zich ‘aan gene zijde van het zijn’ bevindt, vergelijkbaar met ‘de idee van het Goede’ bij Plato (‘epkeneia tès ousias’)


God spreekt. Dat is zijn bestaansmodus. En ‘als spreken niet genoeg is, dan komt Hij’. (Noordmans). Eerder dan de (omni)presente is Hij de steeds weer sprekende en roepende. Eerder dan de zijnde is Hij de komende. ‘Ik zal er zijn!’ (Ex. 3:14). Dat is zijn Naam. Nabij is Hij ons in zijn Woord, maar ver, diep verborgen is Hij in de zelf- of wereldervaring. Daar niet te vinden. Daar niet te kennen.


Over God spreken geloof en kerk dan ook niet ontologisch, maar metaontologisch, zij het in de taal van een (gebroken) ontologie. Ook niet antropologisch, maar voluit theologisch in de drie-eenheid van Vader, Zoon en Heilige Geest. Logisch is die triniteit een onmogelijke formule en ontologisch een onmogelijke zaak. De triniteit, evenmin als vele andere kernzaken in Schrift en credo, krijgt geen passende plaats binnen de horizont van onze wereld en overschrijdt de oevers van ons bewustzijn. Alles wat is wordt immers in het bewustzijn opgevangen en opgeslagen. Het moet worden geïdentificeerd en daarmee als ‘werkelijk bestaand’ erkend. Al het werkelijke berust op zijn mogelijkheid en wat niet mogelijk is, is niet. Dat is het strenge discours van de moderniteit dat overigens oude wortels heeft o.a. in de filosofie van Aristoteles. Alleen het potentiële kan actueel worden, alleen het mogelijke werkelijk. In de ban van dit zeer dominante vertoog moet alle aan de Schriften georiënteerde theologie zich in alle mogelijke bochten wringen om zich te verantwoorden en te legitimeren. Tevergeefs, zoals steeds weer zal blijken. ‘Het kan niet!’ (Wouter Klouwen). Er blijft een niet te integreren, maar uiterst wezenlijke rest, die het bewustzijn niet kan bevatten, maar dat overschrijdt. ‘Finitum non capax infinitum’. Niettemin bevat het bewustzijn ‘een idee van het oneindige’, die het bewustzijn transcendeert, maar het tevens fundeert en de betrouwbaarheid van het zijn en onze kennis ervan garandeert.(Descartes). God als ‘le bon Dieu’, die ons niet bedriegt als een ‘malin génie’ en die de waarheid van onze kennis en de werkelijkheid van het zijn waarborgt. Levinas heeft dit inzicht van Descartes geliefkoosd, maar trekt er geen ontologische conclusie uit over het bestaan van God. Deze ‘noodsprong van de eindigheid’! De idee van het oneindige doorkruist en doorlicht bij hem de totaliteit van het zijn, schokt en verontrust het bestaan van de mens en stelt dat onder kritiek en ter discussie. Het redebeleid van de ontologie stuit aldus op de eigen redelijkheid van het oneindige, dat mogelijk zelfs die van de ontologie onderspant, draagt. God denken als de idee van het oneindige is niet irrationeel of irreëel, maar ‘langs en voorbij de gewesten van het zijn’ verlicht ze het zijn en is ze wellicht van een ‘onrustbarende redelijkheid’ (Theo de Boer).Van over de grenzen van de ontologie dient zich een ‘logos’ aan die de ontologie openbreekt. Het gelaat dat ons aanziet en aanspreekt en dat zich niet laat integreren of identificeren en waarop in de weerloze ogen geschreven staat: ‘Gij zult niet doodslaan’


Het Woord, dat ‘komt van alzo hoge, van al zo veer…’ uit het oude kerstlied is voor de theologie en het christelijk geloof essentieel. In het kritische licht van dit Woord (of dit verhaal) wordt de wereld nieuw en de mens een nieuw schepsel, een ‘kainè ktisis’( 2 Cor. 5:17) ‘Dit Woord was in den beginne bij God en het Woord was God’ (Joh. 1:1,2). Het laat zich denken, het laat zich zeggen, weliswaar (en noodzakelijk) in de taal van de ontologie, maar niet vanuit de ongebroken logica van het bestaan zelf dat immers altijd bij zichzelf begint en altijd weer naar zichzelf terugkeert. Weliswaar veranderd en verrijkt door het andere, waarnaar het uitging en dat het zich eigen maakte, maar onveranderd in zijn grondintentie en grondstructuur. De moderniteit kent in haar zelfbegrip immers alleen het ‘cogito’(in zijn varianten) als het onwankelbare en onbetwijfelbare uitgangspunt van alle kennis en als enige toegangspoort naar de wereld. Al het zijn wordt door het licht van het bewustzijn bestreken en buiten het bewustzijn heerst slechts de nacht van het niets. De moderniteit weet niet en wil niet weten van ‘het Woord dat u ten leven riep’ en ‘in uw eigen mond is gelegd, in uw eigen hart geschreven’ (Lied 7) Elk woord van buiten moet zich eerst legitimeren om toegelaten te worden en zijn plaats en betekenis te krijgen. Het ‘cogito’ als oorsprong van alle dingen weet van geen wijken en staat zijn (heersers)positie als ‘archè’ niet af. Het vreest kennelijk de ‘anarchie’, de wanorde en de redeloosheid als het deze positie opgaf. In deze zelfhandhaving staan de humaniteit en de civilisatie op het spel. Zo lijkt het. Althans de eigene! De onze. Dit raakt aan de grondovertuiging van de moderniteit. En God? God is een zaak van ons mensen. Dat meent de moderne mens zeker te weten en alle theologie is in wezen en noodzakelijk antropologie.


De asiel zoekende vreemdeling wordt dus alleen toegelaten op voorwaarde dat hij zich voegt in de geldende normen en waarden van het gastland. Hij moet onze taal leren (en wij niet de zijne!). Zij die niet over de nodige legitimatiepapieren beschikken moeten worden geweerd, als non-existenten beschouwd worden. Zij bestaan niet en hebben geen recht van bestaan. Voor hen is er geen plaats in de herberg van deze (onze) wereld. De Zoon des mensen heeft dat met hen gemeen. Geen plaats om zijn hoofd neer te leggen in een wereld waar de vossen hun holen hebben en de vogels hun nesten. Hij deelt in hun non-existentie. God deelt aldus in hun non-existentie. Niettemin brengt deze non-existente de wereld in beroering en doet hij Herodes en alle autochtonen beven. Ook als ‘de niet-bestaande’ is ‘God’ aldus en geduchte en uiterst werkzame werkelijkheid. Alle koene godloochenaars mogen en moeten dit beseffen, schoon zij het grootste gelijk van de -door ons geconcipieerde en beheerste- wereld hebben.




B. Over de mens


De mens staat op uit de nietszeggendheid van het bestaan door de (op)roep van het Woord tot hem gericht en gesproken. Meer dan dat hij een naam krijgt, is hij zijn naam. Een onverwisselbare ziel. Diep verborgen in de anonimiteit van het collectief nochtans een uniek wezen. Een verkommerde, grijze,ja ‘dode ziel’ misschien, die toch tot leven gewekt kan worden door de toverstaf van de bezielende Geest; de hem ingeblazen adem, de liefdevolle aanspraak of de oprechte, belangeloze aandacht.


Als aangesproken en (in zijn ziel) aangeraakte spreekt de mens vervolgens ook zelf. Hij antwoordt: ‘Zie, hier ben ik!’ Hij handelt en wandelt, hij leeft uit het horen van het scheppende, wegwijzende en bemoedigende Woord. Niet doof, niet blind, maar met geopende oren en ogen. Vanuit een initiatief buiten hem dat hem draagt en richting geeft. De mens is niet zijn eigen schepper, niet zijn eigen begin. Dat ‘idealisme’, in de trant van Hegel en Fichte, is de bijbel vreemd. Het aangesproken ‘gij’ is ouder dan het sprekende ‘ik’. (Rosenstock/Rosenzweig).


De mens is schepsel. Dat betekent niet dat daarmee zijn essentie vastligt, zoals o. a. Sartre meende, en hij dus ten enenmale is wat hij is. (Máár: de mens is wat hij niet is en hij is niet wat hij is. Vrij! Een gat in de volheid van het zijn; aldus Sartre.)


Als creatie van het Woord is de mens echter geen artefact, maar spreekt hij ook zelf in eigen ‘creatuurlijke creativiteit’(Dippel). Het moet nog aan het licht komen wie hij uiteindelijk zijn zal. Wat hij doet en is volgt niet uit zijn wezen, zoals bij dieren en planten, die geschapen zijn ‘naar hun aard’, maar wat hij doet bepaalt zijn wezen en bestemming. Dat wezen is vooralsnog verborgen, want ‘nog niet geopenbaard is het, wat wij zijn zullen’(1 Joh. 3:2), al zal hij in het licht van het Woord dat hem ten leven riep ook zelf aan het licht komen en dat licht weerkaatsen!’ Want wij weten, dat … wij Hem (Christus) gelijk zullen wezen’. (ibidem) In zoverre verkeren we niet in het ongewisse omtrent onze bestemming en weten we nu al wat onmenselijk is, al moeten we ons, vóór de jongste dag, hoeden voor ‘een positieve antropologie’ (Ter Schegget), als een euvele anticipatie van wat een eschatologisch geheim is. Want te vrezen is de tirannie van ideologieën (en ook van religies) die in de waan verkeren te weten wie de mens is en wat zijn bestemming is en dat ‘zonder aanziens des persoons’, ‘rücksichtlos’ een ieder opleggen. Men kan hier denken aan het afschuwelijke verhaal van George Orwell ‘1984’ waarin de mens ontmenselijkt wordt vanuit een vermeend weten van diens wezen en bestemming. (Het boek is geschreven in 1948, midden in een eeuw waarin dit alles geen pure fictie is van een zwartgallige geest!)


Maar als een gedicht, een poëem van God (en in die zin zijn ‘maaksel’) is de mens ook zelf ‘een poëet van het Woord’(Jak. 1:22). Een dichter en een dader. Als dader een dichter in vrije creativiteit. Het Woord dat hem in het aanzijn riep, verbuigt en vervoegt hij in de daadwerkelijkheid van zijn bestaan (Rosenstock). Zo is de mens een verbaal, een ‘talig’ wezen. Een spreker en dader in en vanuit het Woord dat hem in het aanzijn riep en hem de weg des levens wijst.


In het Woord tot hem gesproken was leven en het leven was het licht der mensen (Joh. 1:4 ev.) Het schijnt in de duisternis en het schept orde en zin in de chaotische verwarring van de wereld en in de mateloze overvloed van informatie die ons in de huidige tijd overspoelt. De duisternis heeft het niet in zijn macht gekregen en de chaos wordt erin teruggewezen en achtergelaten.


Het spreken is aldus constitutief voor menselijk leven en samenleven. Het verbindt ongelijke wezens met elkaar, overbrugt hun scheiding en verzoent hun vijandschappen. De ongelijke wezens geraken, tot en met elkaar sprekend, ‘on speaking terms’. Dan kan er samengeleefd worden. Aanspraak en afspraak maken het verschil in de botte onverschilligheid van het bestaan, waarin ieder zijn leven leeft ten koste en in de negatie van anderen. Dat wil zeggen in een permanente ‘struggle for life’, waarvan ondanks een tijdelijke ‘survival of the fittest’ (Darwin) nederlaag en dood altijd weer het slotakkoord vormen. Het (menselijk) bestaan lijkt zo zonder zin of doel, ten dode opgeschreven als het is. Het is in zijn peilloze toevalligheid ongerechtvaardigd, ongerijmd. ‘Sans raison d’être’. Er is alleen een eindeloze veelheid van nergens toe dienende dingen en zaken in al hun overbodigheid. Ja, het zijn zelf lijkt ‘voor eeuwig te veel’ (Sartre) en kan in zijn massaliteit en massiviteit de mens ontzetting, afkeer inboezemen en zelfs met ‘walging’ vervullen. Deze eindeloze veelheid van ‘meer van hetzelfde’ roept op zijn minst verveling en onverschilligheid op.


Deze existentiële ervaring verdwijnt evenwel als sneeuw voor de zon door de aanspraak en de aanblik van de ander, die zich tot ons wendt, hetzij God, hetzij mens. Daarin wordt het ongerechtvaardigde en naakte bestaan bekleed met zin en verantwoordelijkheid. Het doet er plots toe dat de aangesprokene er is en antwoord moet geven. Hij komt te voorschijn uit de vergeefsheid van zijn overbodige bestaan, dat hem ‘een nutteloze passie’ scheen. Hij wordt verwacht en verwelkomt. Er wordt op hem gerekend. De ander wekt hem tot leven aan het stomme en onbestemde bestaan voorbij en de mens komt tot leven doordat hij de ander doet leven en niet langer negeert.


De A(a)nder, die mij aanziet en aanspreekt ontleent daarbij zijn betekenis niet aan de wereldlijke context waarin hij verschijnt en ter sprake komt, maar hij spreekt en betekent zelf. Hij is niet tot iets anders te herleiden, ook niet en met name niet tot het zelf van het ego. Hij is geen ‘alter ego’, geen heruitgave van het zelf, niet ook maar een exemplaar van het ‘genus humanum’. Die ander in zijn niet te assimileren alteriteit en zijn niet te identificeren identiteit beoogt mij en niet iemand anders. Niet noodzakelijk, alsof het niet anders zou kunnen, maar niettemin in alle feitelijkheid en onontkoombaarheid. Ik word bedoeld in mijn uniciteit, die juist daardoor zin krijgt. Ik heb te antwoorden op dit woord tot mij gericht, dat ‘zonder grond, in ons midden’ (Miskotte) en n zijn transcendentie ons niettemin zeer nabij is.


Deze nabijheid van de naaste (‘le proximité du prochain’) is aldus een fundamenteler antropologische categorie dan de intentionaliteit van het bewustzijn en het menselijk bestaan, zoals de fenomenologie, zowel de beschouwelijke (Husserl) als de existentiële (Heidegger), die opvat. Deze intentionaliteit wordt gedragen door de tegenwoordigheid en de nabijheid van de ander, die mij regardeert en aanspreekt. Zij wordt er ook door ontregeld en verstoord. De naaste die onze weg kruist en die ons ‘te na’ komt onderbreekt en stoort ons in de plannen en projecten die wij doorgaans met onszelf hebben. Hij brengt ons tot omkeer en tot inkeer. Het altijd iets bedoelende en beogende menselijk bestaan wordt hier zelf bedoeld en beoogd. Zijn intenties worden daarmee omgebogen en gericht, aan de willekeur van een contingente vrijheid voorbij, waarin het ‘homo homini lupus’ (Thomas Hobbes) en het ‘L’enfer, c’est les autres’ (Sartre) opgeld maken. Ware vrijheid is ‘vrijheid in coëxistentie’ en kan van het samenleven met anderen niet geabstraheerd worden. ‘Humaniteit zonder de medemens’ (Barth) is een contradictie in de termen. Altijd zal het (ware) humanisme een ‘humanisme de l’autre homme’ (Levinas) zijn, evenals vrijheid ook ‘de vrijheid van de andersdenkende’ (Rosa Luxemburg) zal betekenen.


Mens en menselijkheid ontstaan en bestaan in aanspraak, samenspraak en afspraak. Een verbond of een contract constitueert hun bestaan. Daarin hebben zij te zijn wie ze zijn moeten volgens de afspraken. Ze moeten daarin betrouwbaar zijn, ‘deugen’, ‘rechtschapen’ zijn. Schending van dit verbond, verstoring van de samenspraak en verwaarlozing van de afspraken maken het samenleven in vrede, elkaar ten goede, onmogelijk en doen ons terugvallen in het geweld en de chaos, het ‘tohuwabohu’ van ‘voor de schepping’. Van de (goede) schepping is het verbond ‘de inwendige grond’ (Barth). Dat verbond is het dat ‘die Welt im innersten zusammenhält’ (Goethe).


Om de chaos te beweren of te beheersen schieten religie en ideologie tekort. Het nihilisme als de steevaste dialectische tegenhanger van religie en ideologie dreigt hier toe te slaan. ‘Als de goden zwijgen’ (Miskotte) en de wereld zich hult in nietszeggendheid, dan doemt het ‘nihil’ op als ‘ein inheimlichrer Gast’ (Nietzsche).


Is er een ‘tertium’ tussen religie en nihilisme? De Schriften getuigen van een Stem, een Woord, onafhankelijk van religie en nihilisme. Vóór en boven alle menselijke hoop of wanhoop, geloof of ongeloof, geldig en werkzaam zonder enige antropologische of ontologische basis. Het hoge en vrije Woord dat niet in een mensenhart is opgekomen en dat kracht van openbaring en daarmee van oriëntatie heeft.


Dat raakt aan het wellicht meest wezenlijke inzicht van de theologie van de 20-ste eeuw. Het Woord van God vraagt weliswaar om geloof, maar veronderstelt het niet! De relevantie ervan hangt niet af van ‘een ‘religieus a priori’ (Bonhoeffer). Ook atheïsten en agnosten worden en zijn – of zij het willen weten of niet – aangesproken door dit Woord dat ook tot hen uitgaat en dat hun agnosticisme of godloochening als ondeugdelijke alibi’s en excuses ontmaskert en hun ontneemt. Het Woord is bij machte dichtzittende oren te openen en vastzittende tongen te doen spreken. (Marcus 7:31-37) In dit tot de wereld komende en gekomen Woord is licht dat ‘iedere mens’ en ‘alle dingen’ verlicht. Oordelend en bevrijdend. Alles nieuw makend.


Zich blijvend verschuilen en verdwijnen achter het struikgewas of in de spelonken van de wereld is de mens niet toegestaan. Hij moet tevoorschijn komen en opstaan. Verschijnen! (en niet verdwijnen). Want er wordt naar zijn epifanie uitgezien, met reikhalzend verlangen… ‘Homo gloria Dei est’. Gods glorie is de mens. Calvijn zei het al onvergetelijk: ‘Deus glorificetur in nobis’ God worde in ons verheerlijkt. Dit is: in ons vergankelijk en tijdelijk bestaan. Dat wordt bekleed met onvergankelijkheid en dat beërft het ‘eeuwige leven’. (vgl. 1 Cor. 15:53)


Zo mag er een dialectiek ontwaard worden tussen het ijdele en het eeuwige leven. Immers ‘alles is ijdelheid’ zegt de Prediker (1:1). Maar dat wil ook zeggen:alle dingen dragen de naam van … Abel (‘hebèl’ = ijdel); van de zoon van Adam, van de Zoon des mensen. (Tomas Naastepad). In Hem wordt het vluchtige en vergankelijke leven vervuld van zin en bestendige vreugde. Want God heeft in zijn Zoon dit tijdelijke en vergankelijke leven zeer liefgehad, het gered en in het licht geheven.




C. Over Jezus Christus


Alle christelijke theologie gaat door de nauwe poort van de christologie. ‘Niemand komt tot de Vader dan door de Zoon’ (Joh. 14:6) Horen en geloven wat (ons) in Christus Jezus gezegd en gedaan is, is de kern van het christelijk geloof. Aan alle religie voorbij! In de ecclesia die op deze Naam staat zijn alle religieuze restanten, rituelen, gewoonten en gebaren principieel achterhaald en ondergeschikt en dienstbaar gemaakt aan de ‘missio Dei’, de participatie aan Gods mensenliefde in de wereld, die op de weg van de Messias Jezus openbaar geworden is. Zijn weg is ook die van de zijnen. Hij zelf is hun weg. Hun wandel analoog aan de zijne. Door de Messias gezochte en gevonden mensen worden terstond in zijn missie betrokken, op de weg van de navolging van hun meester geplaatst. Ja, zelfs ‘de ezelin en haar veulen’, die de Heer nodig heeft worden na hun losmaking en nadat ze tot Jezus zijn gebracht terstond opgenomen in het apostolaat. ‘Terstond zal Hij hen zenden, ‘apostellein’.’ (Mat. 21:3). Ach nee, niet terugzenden, zoals zo vele vertalingen.


‘Jezus is Heer’! Maar dat ‘als één die dient’ (Luc. 22:28), als de herder die zijn schapen leidt door hen te volgen op hun wegen en dwaalwegen. Zoekend het verlorene. Niet anders dan, maar analoog aan de Vader! De afdaling in de laagvlakte van het menselijk bestaan is de verheven en hoge God niet vreemd, maar juist eigen! Contrair aan de opwaartse wegen van de religie, aan alle torenbouw van Babel ‘daalt de Here neder om de stad en de toren te bezien’ (Gen. 11:5). Deze religieuze hoogbouw loopt uit op verstrooiing en spraakverwarring. Het Woord uit den hoge wijst wegen over de aarde en door de tijd.


Het vleesgeworden Woord is Jezus. Het heeft in hem onder ons gewoond en wij hebben zijn kracht ervaren en zijn heerlijkheid aanschouwd. Jezus is het Woord in persoon en hij is het doordat hij het Woord hoort en doet, Mozes en de profeten exegetiseert in de daadwerkelijkheid van zijn bestaan. Hij spreekt vanuit het luisteren, handelt vanuit zijn passie en is bewogen vanuit zijn aandoening en barmhartigheid of ook vanuit zijn verontwaardiging (toorn).


Hij is Heer als knecht en koning als de priester, die ter wille van de zijnen het offer van zijn leven brengt. In deze plaatsvervangende en ultieme toewijding aan de zijnen doet hij hen leven en spreekt hij zijn bevrijdende en wegwijzende Woord. Als priesterlijke koning is hij in zijn leven en sterven ook profetisch sprekend. De stem van God. Elk ‘désir d’être’, elke ‘conatus essendi’ (Spinoza) is hem vreemd. Jezus zoekt niet zichzelf of zijn eigen eer (vgl. Joh. 8:54). Door zijn leven te verliezen in de toewijding van de liefde zal hij het leven vinden. Vruchtbaar als een zaad dat valt in de akker, ja, ‘in de voor des doods’ (Lied 223). Dit weerloze, dienende en lijdende leven wordt gekroond met kracht en heerlijkheid en zal honderdvoudig vrucht dragen.’Een lam, een zaad, een weerloos woord/ dat wordt in Kanaäm gehoord/ daar is God vruchtbaar in ons midden’ (Lied 302).


Tussen de gekruisigde en opgestane, de vernederde en verheerlijkte Christus is er een dialectische identiteit. De opgestane Heer is niemand anders dan de gekruisigde Jezus. In soevereine vrijheid gaat hij de weg van het offer en de overgave en in zijn verheerlijkt lichaam draagt hij blijvend de stigmata van zijn kruisdood. Het waarachtige leven wordt geleefd in de ‘memoria mortis et passionis Jesu Christi’ en we heffen de beker der dankzegging als een heildronk op de verrijzenis van alle vernederden en verdrukten, die hij representeert en voor wie hij instaat.


De grondtoon van het messiaanse leven is dan ook die van de eucharistie: de dankbaarheid in de gedachtenis van het vergoten bloed als de hoge prijs voor vrijheid en levensvreugde. ‘Want gij zijt duur gekocht’ (1 Cor. 6:20) en het ons geschonken leven en levenslicht mag ons kostbaar zijn. ‘Verheerlijkt dan God in uw lichamelijk bestaan’ (ibidem).


Wie is Jezus? Noch het evangelie, noch ook de kerk in haar christologische reflecties kennen ‘a man called Jesus’. Elke zoektocht naar de mens Jezus van Nazareth, de zogenaamde ‘historische Jezus’ is gedoemd te mislukken. Jezus komt tot ons ‘gekleed in het gewaad van zijn evangelie’ (Koopmans) en van dat gewaad moeten we hem niet proberen te ontdoen. Reeds ten tijde van het ontstaan van het Nieuwe Testament is deze Jezus verdwenen in de mist van de verleden en vergane tijd. In dit ‘graf van weleer’ moeten we hem dan ook niet zoeken. Dit graf is leeg en Jezus is niet in de laatste plaats opgestaan om elke pelgrimstocht naar dit verleden de pas af te snijden. Het graf kon hem niet vasthouden. Hij leeft en doet leven, ook al is hij gestorven. Daarom: ‘Wat zoekt ge de levende bij de doden? Hij is hier niet’ (Luc. 24:5) Hij gaat u voor naar de toekomst en ge vindt hem bij al zijn broeders en zusters waarmee hij zich geïdentificeerd heeft. Elke Jesulatrie is het NT vreemd. We mogen dan ook van Jezus geen idool maken, geen ‘superstar’, geen held of genie. Een standbeeld past hem niet. Geen plein of straat draagt zijn naam, nochtans weerkaatsen alle pleinen en straten zijn heerlijkheid. Hij is de gestalte van Gods barmhartigheid in deze wereld, diens naar ons uitgestoken en reddende hand. Gods Woord, tot ons en onze wereld gesproken. En hij is daarin de (ware) Messias dat hij van zichzelf wegwijst naar de mensen als zijn broeders en zusters en naar de oogst die uitstaat op de akker van de wereld.


De kerk weet niet van een Jezus als een uitzonderlijke joodse rabbi of van Jezus als een kind van zijn tijd of als een zoon van zijn volk. Hij breekt uit het kader van zijn tijd en kan van zichzelf zeggen: ‘Eer Abraham was, ben ik’ (Joh. 8:58)


Op drievoudige wijze bracht de kerkelijke leer hem ter sprake namelijk in de leer van de twee naturen, de drie ambten en de twee staten.


‘Vere Deus et vere homo’. Waarlijk God en waarlijk mens. Dat is de omschrijving van zijn ‘natuur’, zijn wezen of zijnswijze. God is God in deze menselijkheid en we kennen Hem als God in deze menselijkheid van de Zoon en langs geen andere weg. Niet achter de rug van de Messias om moeten we God zoeken of over Hem spreken. Alleen in en door hem kennen we Hem. Alle goddelijkheid welke niet door deze ‘deur’ binnenkomt is ‘een dief of een rover’ (Joh. 10:1) en verdient het hoogste wantrouwen en moet worden afgewezen. Meer dan antropomorf is deze God waarlijk menselijk. Dat wordt in de Messias Jezus openbaar. Hij is ‘God de Zoon in het menselijk vlees’. (Van Ruler). Niet de mens Jezus (van Nazareth) kent de Schrift of de kerk, maar de Zoon in wie de Vader geopenbaard wordt in zijn voluit vaderlijke en barmhartige menselijkheid en goddelijke heerlijkheid.


God is God als (deze) mens. En in deze mens is God ons openbaar, ‘met voorbijzien aan de tijden der onwetendheid’(Hand. 17:30) Daar valt ons het woordje ‘God’ in. ‘Mijn Heer en mijn God!’ (Joh. 20: 28), aldus de belijdenis van de ongelovige Thomas!


Heer als knecht, koning als priester, herder als het lam ‘dat de zonden de wereld wegdraagt’ (Joh. 1:29) In de Zoon van God, in hem die bij God hoort, van God komt wordt de ware mens openbaar en is ons een criterium voor menselijkheid gegeven. De mens der zonde vindt in hem zijn rechter en zijn redder. Hij wordt openbaar en geoordeeld in zijn onmenselijkheid en tegelijk opgericht en gerechtvaardigd in waarachtige menselijkheid. Gods in deze mens betoonde liefde is een oordeel, waarin zondaars en goddelozen als kaf vergaan en tegelijk bevrijd worden tot een leven in de liefde. Deze de mens overkomende en betoonde liefde doet hem liefhebben: allereerst de hem liefhebbende, maar in hem tegelijk elke mens en alle dingen. ‘Gelijk ik u heb liefgehad, zult ge elkaar liefhebben’ (Joh. 15:12) Mens is de mens, analoog aan de Messias, in de liefde. Liefde als verantwoordelijkheid, als trouw en herderlijke zorg voor de naaste. Als geestdrift en passie dan ook voor al het zijnde, als welbehagen en vreugde in het leven en het levenslicht. Want de levensvreugde reikt nog hoger dan de levensliefde, zoals de liefde als eos de liefde als agape in de rangorde nog overtreft. (Zie Liefde tweeërlei, diss. L.A. Kopmels.)


De weg die God in Christus Jezus gaat kan (met Barth) gekenschetst worden als diens ‘weg in den vreemde’. De Messias deelt volkomen in het menselijk bestaan. Hij zoekt wat verloren is. Hij ondergaat het leed en het lot van de mens. Hij neemt diens schuld op zich in plaats van deze te ontwijken en zich te excuseren. Dat is zijn priesterlijke ambt waarin deze priester tegelijk het offerlam is. Het is pro-existentie tot in de plaatsvervanging toe. Hij ruilt met de zwakke en zondige mens van plaats. Zijn gevangenneming betekent een vrije doortocht voor de zijnen. ‘Indien ge dan mij zoekt, laat dezen heengaan’ (Joh. 18:8) Dit Koninklijke woord, deze priesterlijke daad. Zijn veroordeling betekent vrijspraak van de zijnen en zijn sterven hun (en ons) leven. In dit priesterlijke ambt worden de wissels van de levenssporen en van de geschiedenis omgezet. ‘Jésus a défatalisé l’histoire’ (Roger Garaudy). De rover Barabbas komt op vrije voeten (Luc. 23:25), Herodes en Pilatus, die tot dan in vijandschap leefden, werden op die dag vrienden! (Luc. 23:12). Jezus redt, verenigt vijanden en breekt scheidsmuren af.


Dit priesterlijke ambt is tegelijk zijn Koninklijke ambt. In dit knechtelijke werk wordt hij opgericht als Heer. Deze verloren zoon wordt, als in de gelijkenis, bekleed met het mooiste kleed, gekroond met heerlijkheid. Liefhebbend tot het einde doet hij leven. En daarin leeft hij ook zelf. De gekruisigde is de opgestane, die in zijn hemelvaart alle rangen en standen van de schepping doorschrijdt en doorwoont en zo ‘The King of universe’ mag heten (Willem Barbard). De mensenvriend is de koning van het heelal. Barmhartigheid is het geheim van de kosmos. Niet wreedheid, niet ongenaakbaarheid, niet onverschilligheid (H. M. van Randwijk). De dienende liefde bewijst zich vruchtbaar en sterk. Zij is kracht in zwakheid volbracht. De in Christus barmhartige God is daarin ook (al)machtig. Dat mag niet omgekeerd worden door te zeggen dat de (Al)machtige ook barmhartig is, want dat zou betekenen dat Hij ook onbarmhartig zou kunnen zijn. Quod non! (Bert van Kooi) Vanuit de christologie moeten we zeggen dat het Koninklijke oprijst uit het priesterlijke en de Heer niet anders Heer is dan als knecht. God is de reserveloos liefhebbende en als zodanig de almachtige. De macht abstraheren van de toegewijde liefde zou betekenen dat we de Bijbelse weg verlaten en weer in het heidendom (of de Islam?) terecht komen. Jezus regeert vanaf het kruis. Vanuit het getto van onze wereld (Gerrit de Groot). Het kruis is echter, verre van de mislukking van zijn levensproject, het teken van de triomf en de vruchtbaarheid van de liefde. (Ter Schegget) Zijn leven als lijden en sterven opent de poort naar de toekomst waarheen hij ons voorgaat.


Dit sprekende leven is het licht der mensen, profetie van gelukzalig leven. Het is de waarheid waarin zij leven mogen en het licht waarin zij in hun leugenachtigheid openbaar en geoordeeld worden. Het priesterlijke en Koninklijke ambt van Jezus is daarom tegelijk ook zijn profetische ambt. Hij is ‘het licht der wereld’ dat ons bestaan verlicht, het duister verdrijft en de leugen verjaagt. In dit licht en vanuit dit sprekende leven zijn we niet verstoken van geleide en vaste oriëntatie. De sprake die van hem uitgaat overwint onze sprakeloosheid en maakt ons tot sprekende getuigen van het licht ons in hem opgegaan.




Losse notities




1. Over de schepping


In het scheppingsverhaal uit Genesis 1 worden alle dingen gereed gezet om de geschiedenis van God en mens tot een luisterrijke aangelegenheid te maken. Eenzaam is de mens daar zeker niet! In het spreken van God, de Schepper worden alle dingen op elkaar en op de mens betrokken. Het verbond van God met de mens draagt de ganse schepping en is er ‘der innere Grund’ van (Barth). De sabbatsvrede en de sabbatsvreugde vormen het dragende en wenkende perspectief. Deze schepselmatigheid gaat niet verloren als de mens ten val komt en daarin alle dingen meesleurt. Dan evenwel wordt het schepsel-zijn als hachelijk, eenzaam en ongerechtvaardigd beleefd. Het herstel komt vanuit het voortgaande spreken Gods. De herscheppende Geest.


Terugval in de geborgenheid van het zijn (of een ‘retour à la nature’) is daar een reële verleiding en dreiging, maar het is de vraag of dit nog kan! Kunnen we in de onomkeerbare tijd van de geschiedenis dan nog terug achter Israël en achter de Messias van Israël? Toch ook niet in de zin dat we achter de verschijning van de Messias, achter Mozes en Abraham zouden kunnen aansluiten op de volkerenwereld of de schepping van voor de val? (Hasselaar) Zulks is de Verlichting zeker niet vreemd voor zover zij terugbuigt naar een ‘Adam vóór de val’ of zelfs naar de vormloze materie van voor de schepping, zoals het dialectisch materialisme minstens als suggestie bevat.


Deze in wezen religieuze pogingen slaan haast onvermijdelijk om in nihilistische desoriëntatie. Met naturalisme of idealisme als reddingsboei waar men zich aan vastgrijpt in de watervloed. De desillusie en de desperaatheid lijken evenwel niet te ontlopen.




2. Geloof, hoop en liefde


Het mensenleven kan alleen waarachtig geleefd worden als een avontuur van geloof, hoop en liefde. Deze drie. Maar de liefde, als verantwoordelijkheid voor de naaste, is de meeste (vgl. 1 Cor. 13:13). Daarin dragen we elkaar, zoals we ook zelf gedragen worden. Ook te midden van het onrecht en de wanorde van de samenleving, ook in de verschrikkingen en dreigingen van de wereldgeschiedenis. Elkaar vasthoudend hebben we leven. Elkaar loslatend verdrinken we in de chaoswateren en gaan we in rampspoed verloren.


Ieder mens die zijn naaste ziet, hoort en bijstaat in de nood van zijn bestaan is een getuige en een weerkaatsing van het licht waarin leven is. Hij is een broeder (of zuster) van de Messias en daarmee ook van zijn naaste. Want God is altijd onze God als de God van de ander(en). Deze solidariteit houdt de wereld bijeen en maakt het leven mogelijk. ‘Without love the world couldn’t exist for a moment’. (de onversneden humanist Erich Fromm zei het). Ze rechtvaardigt het menselijk bestaan. Ook in die zin dat de ondervonden liefde het ongerijmde en onbarmhartige bestaan in de wereld goedmaakt. Goedmaakt ook in de zin van compenseert en rechtvaardigt (Otto Kroesen) ‘Alle dingen heeft Hij goed gemaakt, ook doven doet Hij horen en stommen spreken’(Marc. 7: 37).




3. Het begrensde leven


De dood als het einde van het in tijd en ruimte begrensde leven kan aan de wezenlijke goedheid ervan geen afbreuk doen. De vruchten van het leven in de liefde en in de tijd blijven bewaard of zijn als zaden vruchtbaar. ‘De bloem valt af en de plant sterft af … als de vrucht is gezet’ (Buytendijk) En de oogst is voor het nageslacht.


Er is geen (bijbels) gegronde reden om te dromen over (of te geloven in) een post-mortaal voortbestaan. Er is evenmin een post-existentie als een pre-existentie van de mens als tijdelijk wezen. Eens was ik er niet en eens zal ik er niet meer zijn. Dat maakt de ons toegemeten tijd kostbaar en doet ons onze dagen tellen. Daarin kunnen we deelhebben aan het eeuwige leven dat de schrik van het sterven-moeten te boven is. Vrede hebben met de begrensdheid en de kortheid van de levenstijd in het geloof in de vergeving van onze zonden mag de vrucht zijn van het in geloof, hoop en liefde geleefde leven. Het‘er geweest zijn’ – en dat niet vergeefs of in louter ijdelheid – is een bewaard worden tot het eeuwige leven. Ons tijdelijke leven gaat in zijn tijdelijkheid het licht tegemoet en dat licht schijnt al in de tijd als een belofte en onderpand van het toekomende.


Het is de ervaring niet geheel vreemd, maar ook al ontbreken ons deze kostbaarheden en liefelijkheden en leven we in een ‘land van schaduwen des doods’ (Jesaja 9:1) dan blijft de belofte van Woord en Geest, waaraan wij in een geloof, zonder bevestigingen in de ervaring, ons nochtans mogen vasthouden en staande houden.


‘Zolang Gij nog verborgen zijt / een zon diep in de nacht / roep ik uw nadering reeds uit, / omdat ik U verwacht’. (Gezang 446:5)




4. Verzoening net de eindigheid


Een mensenleven kan voltooid en voldragen zijn, al kan het daarom de smart om het onvoltooide leven en de niet verzoende schuld niet geheel vergeten. Geheel verzadigd van het goede sterft wel geen mens, maar hij kan verzoend zijn met het leven in zijn kortheid en met zijn tekorten. God zelf kan en zal het goedmaken. Dat is het geloof van de gelovige. Het ziet daarbij op Christus, de gestorvene en de opgestane, die de zijnen niet opgeeft of loslaat Zo wij dan met hem gestorven zijn, zo zullen met hem leven (vgl. Rom. 6:5) Zalig in de hoop. ‘Gaudentes in spe’ (Rom. 12:12). We gaan het licht tegemoet, de toekomst die zijn hart voor ons bewaart. Voor ons en voor de hele wereld.




5. Het leven in de liefde en de vreugde


De ‘oikoemene’, als ‘de ganse bewoonde wereld’ ligt in het perspectief van het door Christus bezochte en bevrijde of – kan men ook zeggen – gevangen genomen leven. Als geboeiden worden zijn volgelingen meegevoerd in de zegetocht van de Messias en worden de kinderen van het Koninkrijk als zaad uitgezaaid over de akker van de wereld (Hoekendijk); de oogst tegemoet, waarbij de zaaiers zich tegelijk met de maaiers verheugen. (vgl. Joh. 4: 36)


Het theologische en wijsgerige denken doorvorst en doorlicht de wereldgeschiedenis als een niet te verwaarlozen (messiaanse) opdracht, maar de dienaren worden uitgezonden naar de einden der aarde. ‘Zie, ik zend u als schapen midden onder wolven’ (Mat. 10:16)


Geloof is meer dan beleving en bevinding, meer ook dan zingeving van het eigen bestaan, het is missie in de wereld en dienst aan de naaste. Het leven verliest zich in ontijdig afgebroken taken en verantwoordelijkheden, om zo toch tot zichzelf te komen en zichzelf te vinden. In het fragmentarische van een toegewijd geleefd leven is de mens niettemin volkomen zichzelf. In de liefde komen we evenwel het ‘amateurisme’ en daarmee de onvolmaaktheid en het gebrekkige niet te boven. De mens is perfect in zijn imperfectie!


Zo neemt hij in de kracht van de opstanding, in de kracht van de Geest telkens weer zijn kruis op (Moltmann). Zijn verlies, zijn nederlaag, zijn schuld, de last van het leven onder de mensen. Hij staat en beweegt zich – kan men ook zeggen – in ‘het kruis van de werkelijkheid’, dat kernbegrip uit het denken van Rosenstock-Huessy. Dat wil zeggen:zich bewegend en begevend tussen verleden en toekomst, tussen binnen- en buitenwereld. De christen leeft aldus in de flexibiliteit en de inventiviteit van de liefde, die wegen en uitwegen zoekt en die het lijden en het offer niet vreest met een laatste vrees. Deze liefde is passie, dragende en duldende liefde. Ze gaat gebukt onder het leed van de wereld en onder de lasten van het (mede)menselijk bestaan.


Toch is aan deze duldende en lijdende liefde de vreugde (‘chara’) niet vreemd. Dit passiespel van de liefde wordt immers gespeeld in het vrolijke licht van Pasen. De zoon, die in den vreemde ging en daar reddeloos verloren liep, wordt door de vader bekleed met een feestkleed en een ring om de vinger.’Want mijn zoon hier was dood en is weer levend geworden, hij was verloren en is gevonden’ (Luc. 15:24). Dit is niet alleen gezegd van de zoon uit de gelijkenis, maar toch bij uitstek van de Zoon waarvan deze een gelijkenis is in de objectiviteit van zijn weg in de vreemde en zijn terugkeer tot de Vader. Hoe groot het subjectieve verschil ook zijn mag.


Daarom: ‘Weest blijde in de hoop’ (Rom. 12:12). Er is vreugde in de Geest en in het vaderhuis vanwege de Zoon en zijn toekomst, die nu reeds zijn licht vooruitwerpt in het heden en zijn kracht bewijst in het lijfelijke en tijdelijke bestaan. Want de opstanding is opstanding van het vlees en de heerlijkheid is heerlijkheid in de tijd. Er mag aldus een toast uitgebracht op de overwinning van alle dood en verderf en op de verrijzenis van allen, die onder leed en verdrukking gebogen en gebukt gaan. Er kan een lach af en er mag een glas worden gedronken. Dit alles ‘in de memoria mortis et resurrectionis Jesu Christi’, in de gedachtenis van zijn vruchtbare offergang.


Feest en spel staan niet los van de ernst van lijden en verdrukking. Maar daaraan is een einde gesteld en dat einde mag reeds gevierd en gesmaakt worden. Bij de maaltijd des Heren wordt dit alles geanticipeerd en zinspelend tegenwoordig gesteld. Deze maaltijd is de opmaat (en de maatstaf!) voor alle feestelijkheid in christelijke zin. De roes der vergetelheid en het doden van de tijd der verveling zijn daar niet aan de orde, zoals dat in veel heidendom het geval lijkt. In de klare gedachtenis van al het leed en het duister heffen we nochtans de beker der dankzegging. ‘Wij verkondigen de dood des Heren, totdat Hij komt’




6. Liefde en vrijheid


De liefde en de vreugde (‘agape’en ‘chara’) zijn intrinsiek met elkaar verbonden. Dat geldt evenzeer voor vrijheid en liefde (‘eleutheria’ en ‘agape’). Daarbij is de liefde op te vatten als verantwoordelijkheid. Want ‘gebruikt de vrijheid niet als een aanleiding voor het vlees, maar dient elkaar door de liefde’(Gal. 5: 13). In de liefdeloosheid gaat de vrijheid teloor. ‘Wanneer ge elkaar ver-eet, ziet dan toe dat ge niet door elkaar verslonden wordt’ (Gal. 5:15). Liefde als verantwoordelijkheid, als ‘herderlijke liefde’ staat in en komt op voor de broeder (en zuster). Zijn of haar zaak maakt de agape tot de hare. Het is borgstaande liefde (Ter Schegget) of proëxistente liefde (Bonhoeffer) met als limiet de plaatsvervanging. Deze liefde is de geheime intrige van een menselijke samenleving in broederlijkheid. (Levinas). Vrijheid die zich daarvan losmaakt, loszingt ‘kent haar plaats niet’ (Moskotte) Zij is als ware vrijheid gesitueerd in de context van de medemenselijkheid en het maatschappelijke en mag daarvan niet geabstraheerd worden. Vrijheid maakt vrij en weet van de ander(en) als haar permanente vooronderstelling. Op zichzelf gestelde, autonome vrijheid botst tegen andere vrijheden. Dan is het conflict de fundamentele menselijke conditie. ‘The struggle for life’ en daarmee ‘the survival of the fittest’. Het ‘bellum omnium contra omnes’(Hobbes) is dan niet te vermijden. Oorlog is dan de oertoestand en de ‘Vader van alle dingen’ Deze sinistere wijsheid van Heraclites. Dat roept om een ‘sociaal contract’, maar – men moet hier vragen – wat doet mensen en volken ertoe besluiten de strijdbijl te begraven en vrede te sluiten? Hoe komt de mens tot rede en dan ook en tot vrede? Daartoe moet hij (op)geroepen worden door het woord of het gelaat van de ander, die hem vertrouwen inboezemt en die hem tot inkeer brengt. Door de tussenkomst van de vredestichter die niet zichzelf zoekt. Het gedrang bij de poort naar de toekomst kan alleen opgelost worden als iemand zegt: ‘Na U!’ (Otto Kroesen); door de ander ruimte gevende vrijheid om zichzelf te zijn. In de plaatsverwisseling, de ruil (katalangè) realiseert zich verzoening tussen tegenstanders en kan vijandschap in vriendschap verkeren. Daarin komt ook de liefhebbende in vrijheid tot zichzelf.


Ontvangen en betoonde liefde maakt de mens waarlijk menselijk. In deze liefde is hij vrij en in deze vrijheid heeft hij lief, kent hij zijn verantwoordelijkheid en oefent die uit. En dat aan alle sympathie en antipathie, wrevel, aversie en haat voorbij. Daarin is hij een ‘een ‘nieuwe schepping’, de val te boven, de ‘oude Adam’ in diens zelfhandhaving achter zich latend. Bevrijd tot ‘de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods’ (Rom. 8: 21). In de vijand ontwaart de liefhebbende het gelaat van een potentiële broeder Hij zal deze daarom niet blijvend negeren, haten en verachten, maar hem reeds nu aanzien, tolereren en respecteren. Dat niet zo zeer op grond van een latente ‘sumpatheia’ (Sölle) tussen alle levende wezens, maar omdat rond het kruis van de Messias vreemden, ongelijken, vijanden (onontkoombaar) tot naasten zijn geworden. ‘Want God heeft hen allen onder ongehoorzaamheid besloten, om zich over hen allen te ontfermen.’ (Rom. 11:32)


De naaste is ‘hij die mij in barmhartigheid bewijst’ (vgl. Luc. 10:37) in die zin dat hij mij op mijn plaats als mens zet en mij bepaalt bij mijn menselijkheid, waarin mijn ik niet meer aan het begin van alle dingen en in het centrum van de wereld staat, maar ik leef voor en van de Ander en het andere, in de onbaatzuchtigheid van een vrije en dienende liefde, die ‘niet zichzelf zoekt’ (1 Cor, 13:5) Daarin is het mensenleven groots en glorieus, wordt het bekleed met heerlijkheid en komt het in vrijheid tot zijn recht en tot zijn bestemming.




7. De naaste


Het gaat in de Schrift niet zo zeer om God en de mens, maar eerder en nauwkeuriger om God en de naaste (Noordmans). De naaste is hij die mij ‘te na’ komt, op de huid zit, de stoorzender in mijn levensproject. Hij kruist onze weg meer dan dat hij een makker of weggenoot is. Hij heeft niettemin mijn leven in zijn hand, zoals ik ook zelf zijn leven in mijn hand heb. Het is door hem of ik als een barmhartige of een onbarmhartige, als mens of als onmens, als een rechtvaardige of als een goddeloze te boek zal staan. Het oordeel over mij en mijn bestaan is de mens, ‘onder rovers is gevallen’ in de mond gelegd. Op genade of ongenade ben ik op hem aangewezen.


In de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan komen wij twee keer voor: als de man onder rovers gevallen en als de barmhartige Samaritaan. We zullen alleen van barmhartigheid weten als we zelf barmhartigheid hebben ondervonden. De rechtvaardige die leeft van zijn vermeende rechtvaardigheid zal van erbarmen en mededogen geen weet hebben en er niet door bewogen worden. De ontvankelijken voor het leed van de ander(en) zullen in dit lijden worden meegesleept. Het christen-zijn bestaat wezenlijk in deze ontvankelijkheid en sensibiliteit voor het onrecht de ander aangedaan en in die passie meegevoerd worden. ‘Das hineingerissen werden in der passio Jesu Christi’ (Bonhoeffer). Proëxistentie, met als limiet de substitutie, de plaatsvervanging. ‘Niemand heeft groter liefde dan wie zijn leven geeft voor zijn vrienden’ (Joh. 15:13). Het geldt voor de Messias, maar ook voor zijn volgelingen. De coëxistentie in broederschap en vrede is de minimale analogie van Christus’ ‘er-zijn-voor-de-ander’, maar daarmee is ook voor de volgelingen van de Messias niet uitgesloten dat zij hun leven stellen voor de ander. Dat niet als een te vervullen gebod of noodzakelijke wet, maar als een uitvloeisel van de liefde, waaraan wij geen grenzen mogen stellen. De altijd wel storende, lastige en veeleisende naaste is (uiteindelijk) een broeder of zuster die ik zal liefhebben ‘als mezelf’. Als vlees van mijn vlees. De broederlijkheid is zeker geen natuurlijke habitus, maar een late verworvenheid op de weg naar de humaniteit en in de strijd om de gerechtigheid, ja, een eschatologische belofte. Broederschap is de ongelijkheid, de vijandschap, de haat en de antipathie voorbij. Daarbij is al het mijne het zijne en al het zijne het mijne. De eigenlijke verrijking van het bestaan ligt in de rijkdom van de ander, die ook mij ten goede komt (en omgekeerd); mijn glorie is de glorie van de ander, die op mij overstraalt. De ‘ars politica’ staat in dat perspectief De cultuur als de kunst en de kunde van het samenleven in vrede en vreugde. Het is er vaak verre van, maar het perspectief is ons geopend in de messiaanse verwachting. De vrede die in Hem en zijn kring werkelijkheid is, is ookeen menselijke en maatschappelijke mogelijkheid. We hoeven elkaar het leven niet langer zuur te maken of elkaar te ‘ver-eten’, maar kunnen leven elkaar ten goede en niet ten koste van elkaar. Kortom in ‘shaloom’. En elk klein begin is het begin van het (glorieuze) einde. Voorproef en voorsmaak. Niet meer en niet minder. Daar moeten we het (voorlopig) mee doen. Daar kunnen we het ook mee doen.




8. Godsdienst of mensendienst


Of godsdienst ook kan wegvoeren van het dagelijks geleefde leven? Dat lijkt wel zeker. Het heeft vaak iets van een vlucht naar voren of van een escape uit de hardheid en de botte banaliteit van het bestaan in arbeid en samenleving. Evenwel: we zullen moeten zien dat de weg van het christelijk geloof toch een andere is. Het is de weg van de condescendentie, van de afdaling in de laagvlakte van het menselijk bestaan. Daar doet de Zoon des mensen – niet zelden ‘als een slaaf, die hijgt naar schaduw’ (Job 7:2) – zijn dienstwerk, dat gericht is op oprichting, genezing, bemoediging van vermoeide, zwakke, gevallen mensenkinderen. De (ware) godsdienst (religie) is mensendienst, ‘omzien naar wees en weduwe in hun nood’ (Jak. 1:27) Ook de kerkdiensten met prediking, lofzegging en gebed staan gericht op deze dienst in de wereld en aan de naaste. We moeten dan ook niet altijd en ononderbroken in het huis des Heren vertoeven. Het is, als men wil, ‘godsdienstoefening’, maar de wedstrijd wordt gespeeld in de maatschappij en tussen de mensen. De kerkdienst is toerusting, op adem en op zijn verhaal komen, het vizier bijstellen. Niet in de laatste plaats onderlinge vertroosting en bemoediging van de broeders en zusters.’ Consolatio fratrum et sororum’. Dit alles evenwel met het oog op de wereld waarin we leven en moeten leven. De door God geliefde wereld. Om dat vol te houden en aan te kunnen is de kerk en is het geloof broodnodig. Religie als verheffing of verdieping van het bestaan, als escape uit de zwarigheden van het bestaan, is maar al te menselijk en maar al te begrijpelijk, maar het is nochtans niet de weg ons in tenach en evangelie gewezen. Die weg loopt over de aarde, door de geschiedenis en naar de naaste.




9. Over de kerk


Er is (massale) verlegenheid rond het instituut kerk en ook met de kerkdienst en kerkgang. Althans in onze windstreken zit de traditionele kerk danig in het slop. Moet deze tent niet gesloten worden? Of is ze toch nog bruikbaar als een plaats en middel tot religieuze of spirituele verheffing en verdieping? Met of ook zonder de Heilige Schrift. Met dat laatste schieten we gemakkelijk terug in een gematigd heidendom of in een religieus humanisme met een flinterdunne theologie. Het streng op de Schriften georiënteerde geloof zoekt men er niet; en zoekt men er tevergeefs. De ernst en de sterke vreugde van het evangelie vindt men er niet.


De missie in de wereld, hoe essentieel ook voor het christelijk geloof, vindt zijn voedingsbodem in een bijbelse prediking en in het gebed dat stuwt naar en overloopt in daden van gehoorzaamheid op het veld van de maatschappij en de weg van de geschiedenis. Geen gebed zonder actie, maar evenmin geen actie zonder gebed, zonder te vragen naar de weg, naar het ‘goede, welgevallige en volkomene’ (Rom. 12:2).




10. Over de islam


De kwestie wat de kerk is en te zijn heeft wordt actueel en acuut in de ontmoeting met de islam. Zijn Allah en JHWH in wezen hetzelfde of dezelfde? Bij alle openheid en vriendelijkheid tegenover de moslims in ons midden dient op dat punt een duidelijke grens te worden gesteld en klare wijn geschonken: Geen verwisseling van JHWH en Allah! ‘Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben’. Dat is hier in alle beslistheid door de kerk te zeggen en te praktiseren. Dit is voor haar ‘status confessionis’. Waar de God van Israël, de Heere God, wordt aangeroepen en aanbeden, daar mag en kan niet tegelijk de lof van Allah gezongen of verkondigd worden. De concentratie op de NAAM sluit dat ten enenmale uit. We zouden er het schip van de algemene religiositeit mee ingaan en de unieke Naam zou er in ten onder gaan of minstens verduisterd worden. Want daarin en daarin alleen is ons behoud. Deze eenkennigheid mag de kerk nooit achter zich laten, hoe zeer zij ook het oor te luisteren legt bij de dromen der volkeren en bij de filosofieën en de godsdiensten van de wereld. Deze verdoemen of veroordelen gaat niet aan, met moslims samenkomen en het gesprek zoeken is in onze samenleving ‘Gebot der Stunde’ voor kerk en christenen, maar de wezenlijke verschillen mogen ons niet onverschillig zijn! Ook uit dit (gods)diensthuis mag de gemeente van Christus zich uitgeleid weten. Werkelijk alle religie, ook de christelijke, is in de Messias, die Jezus heet, geoordeeld en achterhaald. De kerk heeft hier kritisch te waken en sceptisch toe te zien.


Het gaat God van Israël immers om de (glorie) van de mens en om de redding en verheerlijking van de menselijkheid. Kortom: om de humaniteit! En de ernstig te stellen vraag is waar deze het best gewaarborgd is. Israëls God is óók de God van de moslims en daarom hebben wij alle moslims te eren en te dienen, als onze naasten lief te hebben, maar in Allah geloven doen we niet en die schenken we geen krediet.


De kerk verloochent haar wezen (of liever haar Heer), indien zij Allah toelaat in de samenkomsten waar alles op naam staat van ‘de Heer, die hemel en aarde gemaakt heeft’ In die aanroeping is de kerk kerk en geen godsdiensthuis, geen tempel, geen instituut tot religieuze verdieping of verheffing. Misschien slechts een hut om in te schuilen. Die eenzame en aangevochten positie tussen de religies en de levensovertuigingen zal zij voor lief te nemen hebben.




11. Jodendom en Israël


Hoe staat de kerk tegenover het Jodendom en (de staat) Israël? Wezenlijk anders dan tegenover de Islam en alle andere godsdiensten. Want de God van Israël belijdt zij ook als haar God. De Kerk heeft niet haar eigen God, maar gelooft in de haar vreemde God, aan wie zij is toegevallen. Het brengt ook met zich mee dat zij onmiddellijk, onverwijld te maken krijgt met de Joden, als de broeders en zusters van Jezus Christus. Zowel binnen de gemeente alsook daarbuiten, de reëel existerende Joden in of buiten de staat Israël. De Jood is de eerste representant van de naaste die zij zal liefhebben naar het gebod. Daarom is het antisemitisme de grootste zonde en de meest ernstige vorm van atheïsme, van godloochening en godslastering ‘Wie God liefheeft en (deze) naaste haat, is een leugenaar’ (1 Joh. 4: 20) en de waarheid is hem niet. Alle godsdiensten en levensbeschouwingen die Israël uitsluiten (en zij kunnen niet anders indien zij stoelen op een eigen wortel) kunnen niet door de deur van een Christus belijdende gemeente naar binnen gaan, tenzij zij te verstaan krijgen en verstaan dat zij met het geloof in Christus onmiddellijk ook met ‘Israël’ te maken krijgen. Het verbond van God met deze naam en met dit volk als drager van deze naam is onverbrekelijk. Noch de mens, noch de kerk, noch ook de theologie kan hier scheiden wat God zelf heeft samengevoegd en in Christus is verenigd.


Een steen des aanstoots is dat zeker! Maar ook een toetssteen voor het rechte geloof. Zonder Israël vervalt het christelijk geloof in eigendunkelijke religie of in een om zichzelf cirkelend en zichzelf bevestigend humanisme. Deze naaste is kerk en christendom ‘een kritisch tegenover’.


Het volk van Israël mag weten dat het in de kerk van de Messias Jezus een onvoorwaardelijke bondgenoot heeft (Dick Boer) in een wereld vol latent of zich manifesterend antisemitisme; een solidaire partijganger, maar dat sluit (eventueel scherpe) kritiek op het politieke gedrag en beleid van de staat Israël bepaald niet uit! Aan dit hachelijke werk mag de kerk zich niet onttrekken. Ware broederlijkheid en waarachtige vriendschap sluiten dat uitdrukkelijk in. Zelfs het verwijt van antisemitisme dat deze kritiek naar zich toe kan halen in de emotioneel geladen en nerveuze toestanden rond Israël en de Joden kan en mag niet altijd vermeden worden. De omrust en de pijn om Israël kan de kerk niet bespaard worden. De vrede waarop zij mag hopen kan geen vrede zijn zonder of ten koste van deze haar toegevoegde oudste broeder.



12. Fides et fiducia. (Geloof en vertouwen)


Geloof in Jezus als geloof in de God die zich in hem heeft geopenbaard en uitgesproken en die als ‘Immanuël’ met ons is, vormt de kern van de christelijke religie die daarin als religie wordt opgeheven. Want dit is ‘Offenbarung als Aufhebung der Religion’ (Barth) Opheffing en (tegelijk) bewaard worden in een nieuwe en andere context. Die van de weg van de Messias Jezus tot aan de einden der aarde en het einde der tijden. Godsdienst die niet op deze Naam staat en God zoekt en dient achter de rug van de Messias Jezus om moet ongeloof heten. ‘Religion als Unglaube’(Barth)


De Messias Jezus is de gestalte van Gods barmhartigheid in deze wereld, zijn naar ons uitgestoken hand en zijn bezielende en bemoedigende Geest.


Op hem zijn vertrouwen en hoop vestigen houdt tegelijkertijd in dat we geloven in zijn toekomst die als de zijne ook die van ons en onze wereld is. We mogen met vertrouwen in de wereld en in het leven staan. ‘Fides’ in Christus impliceert ‘fiducia’, levensvertrouwen, inclusief vertrouwen in de mensen waarover hij zich ontfermd heeft en die hij in zijn trouw niet loslaat of heeft opgegeven. De medemens is – objectief – een broeder of zuster van de Messias Jezus, die we aan ons wantrouwen en onze scepsis voorbij daarop mogen aanzien en mogen benaderen.


Geloof is zo vanwege de kracht en draagkracht van de in de Messias geopenbaarde en door de Geest werkzame barmhartigheid fiducie hebben, in het leven op aarde, in de toekomst van de wereld en tenslotte ook in zichzelf. Nooit evenwel wordt dit geloof een zeker bezit. We hebben het niet en we zijn niet ‘gelovig’ in de emfatische zin van het woord. Het moet ons gegeven, geschonken worden. Het ons aansprekende Woord en de ons bezielende Geest wekken en onderhouden het in ons. Geloof is een geraakt en bewogen worden door een liefde die ons overkomt en in ons opstekt als een onweerstaanbare geestkracht.


Gods Woord als belofte en gebod maakt geloof, hoop en liefde in ons los en doet ons zeggen en bidden: ‘Heer, ik geloof. Kom mijn ongeloof te hulp’ (Marc. 9:24)


Rens Kopmels


Delft, oktober 2012.


(c) Rens Kopmels

[ vorige -  omhoog -  genre - volgende ]