Lettergrootte vergroten Lettergrootte verkleinen
Een weinig roken... Rens Kopmels - Teksten

» Home
» Links
» Contact
» Zoeken
» Nieuws

» Preken
» Meditaties
» Artikelen
» Columns


[ vorige -  omlaag -  genre - volgende ]  Tekstgrootte aanpassen  Tekst afdrukken  Link mailen

1 Corinthiërs 15

Enig begrip kunnen we wel opbrengen voor die mensen in Korinthe die niet kunnen en willen geloven in de opstanding van de doden. Want dat gaat toch dwars tegen onze ervaringen en levensopvatting in. Toen en daar al; en in onze tijd eer meer dan minder.


Maar zo niet de apostel Paulus. Hij zet alles op haren en snaren om deze ketterij, deze ernstige dwaling te bestrijden. ‘Als er geen doden worden opgewekt’, zegt hij, ‘dan is ook Christus niet opgewekt en is niet alleen de evangelieverkondiging zonder inhoud, maar ook uw geloof is dan ijdel’, een slag in de lucht. Want het gaat niet om een bijkomstigheid, om een facultatief geloofsartikel, maar het betreft hier de kern -of nog liever de spits- van het ons op het hart gebonden evangelie. Haal je die kern eruit dan voegt het christelijk geloof zich kalmpjes in de bonte rei van de vele en gevarieerde religies of levensbeschouwingen. Een keurig geloof misschien, maar zouteloos en krachteloos Niemand neemt er aanstoot aan, maar niemand is er ook erg van onder de indruk. Zo verliest het geloof zijn verrassende en onthutsende openbaringskracht. Zijn macht van oriëntatie in de verwarring van het leven en zijn kracht grenzen te verleggen en te overschrijden. Zelfs de doodsgrens. Daardoor komen alle dingen in een nieuw licht en een ander krachtenveld te staan.


Paulus doet op dit punt geen enkele concessie en wij moeten dat ook niet willen. Want je kunt het je toch ook niet goed voorstellen dat een christelijke gemeente het Paasfeest zou schrappen uit haar agenda als zijnde van weinig betekenis! Pasen is centraal in de vieringen en de samenkomsten van de gemeente of het staat minstens gedurig op de achtergrond; en alle vier evangeliën eindigen net de paasvehalen als het nieuwe en veelbelovende begin.


Jezus leeft! Dat is Pasen. Ook al is hij dan gestorven en neergelegd in het graf. Maar daar moeten we hem niet zoeken, want hij is opgestaan en vervolgens opgevaren ten hemel, zittende ter rechter hand Gods. De menslievende, deze knecht der knechten is uitermate verhoogd. ‘The King of universe’. Hij regeert in het verborgene. Dat is Hemelvaart. En hij doet leven door de Geest die van hem uitgaat en die levend maakt, ons opricht uit onze moedeloosheid en troosteloosheid, zodat ook wij deelhebben aan zijn opstanding. Dat is het centrale verhaal ons verteld in woorden en beelden. Goede Vrijdag, Pasen, Hemelvaart, Pinksteren. Jezus is gevallen als een zaad in de wereldakker, maar zo draagt hij rijke vrucht. Opgestaan is hij in een nieuwe gestalte, een nieuw lichaam, aan gene zijde van zijn graf.


Maar eerlijk gezegd: ook wij hebben onze intellectuele moeilijkheden met dat leerstuk van de opstanding der doden. We kunnen het ons niet goed voorstellen , niet indenken. Dat kan toch niet. Dat is toch in strijd met al onze ervaringen en met ons begrip dat we van ons leven en alle dingen hebben. Hooguit gaat het hier om wensdromen en fantasieën, die we natuurlijk een ieder gunnen, maar waar toch geen werkelijkheid aan beantwoordt en tegemoet komt.


De opstanding als denkfiguur en als voorstelling speelt ons dus danig parten en is voor velen een reden om die opstanding te loochenen of minstens sterk te vergeestelijken. Niet zelden ook een reden om kerk en geloof de rug toe te keren. Gedrenkt in de moderniteit als we zijn, is dat een neiging die wel niemand geheel vreemd is.


Maar de vraag mag zijn of het hier wel gaat om een opvatting, een idee of een voorstelling, waarin we zouden moeten geloven. Gaat het in Tenach en evangelie niet veeleer om ons toegevoegde, toegeroepen woorden, die niet in ons eigen hart of hoofd zijn opgekomen? Ook van (en in) zulke woorden leven we immers. Woorden van boven of van buiten die ons worden aangezegd, op de lippen gelegd, ingefluisterd. De woorden van de goede boodschap die het evangelie is; de paastijding en de tongen als van vuur met Pinksteren. Het zijn woorden die ons kunnen raken en bij ons inslaan als een bliksemflits. Woorden die ons kunnen troosten en sterken, veranderen en vernieuwen. Woorden tot ons gesproken en –althans in eerste instantie- niet door ons.


Er is een aardig verhaaltje dat speelt in de tijd van de Sovjet Unie. Een apparatsik van de communistische partij komt op de eerste paasdag het verzamelde Russische kerkvolk uitleggen dat zo iets als ‘opstanding der doden’ ten enenmale onmogelijk is, in strijd met alle materialistische en wetenschappelijke waarheid. Het zal een niet al te moeilijk betoog geweest zijn dat ieder redelijk denkend mens zal moeten overtuigen. Maar de partijman geeft ook de aanwezige russisch-orthodoxe priester nog de gelegenheid tot een weerwoord, democratisch als het toeging in de Sovjet Unie. Hij mag het betoog weerleggen. Nu, het oude pastoorke treedt naar voren en volstaat met het uitspreken van de paasgroet: ‘Christus is opgestaan’ en dan antwoordt de hele verzamelde menigte als uit één mond: ‘Hij is waarlijk opgestaan’!’ (Van de apparatsik is niets meer vernomen)


Ziet u, op deze wijze en in deze toonsoort zullen we met Pasen en met de waarheid van de opstanding moeten omgaan. De opstanding van Jezus wordt uitgeroepen, geproclameerd en dan volgt de respons, de bijval. Ja, hij is waarlijk opgestaan. De werkelijkheid van de opstanding voltrekt zich in het sprekende, daadwerkelijke leven! Zingend, belijdend, in een acte van geloof, hoop en liefde. Ons bestaan blijft er in ieder geval niet buiten, maar het is onmiddellijk in het geding. Pasen moet gevierd worden en de opstanding moet geleefd worden in een leven dat de moed niet opgeeft en dat de dood niet vreest met een laatste vrees.


Waar zit dan ons probleem? Ach, misschien hebben we het onszelf onmogelijk gemaakt in de werkelijkheid van opstanding te geloven. Ergens in het begin van de moderne tijd hebben we de dwingende afspraak gemaakt om alleen werkelijkheid toe te kennen aan wat aantoonbaar, constateerbaar en verifieerbaar is. Ongetwijfeld een vruchtbaar besluit dat de vooruitgang van onze kennis en kunde zeer bevorderd heeft. We spreken en denken als het om waarheid en werkelijkheid gaat uitsluitend in de taalkundige modus van de indicativus, de aantonende wijs. ‘Het regent’. Dat kan ieder constateren en daar zijn we het snel over eens. Andere modi tellen niet serieus mee. ‘Moge het regenen’, de conjunctivus dus, daar koop je niets voor. Dat is een loutere subjectieve wens. Dat verwacht je niet van de weerman, zo’n bede om regen of zonneschijn. Evenmin dat hij het bevel tot regenen zou geven en de imperativus, de gebiedende wijs zou gebruiken.


De vraag mag evenwel zijn of we onszelf niet gevangen hebben gezet in die ene modus van de indicatief en andere wijzen van spreken, denken en leven als irrelevant en ongeldig ter zijde hebben geschoven. Niettemin leven we niet alleen van en in het aantoonbare, maar we leven niet minder in onze verlangens, ambities, passies en ons bestaan als mens staat toch ook onder de harde werkelijkheid van geboden evenals van moed gevende beloften.


In die sfeer en op deze wijze kan er zinvol over Pasen en Pinksteren, over opstanding en uitstorting van de Geest gesproken en gedacht worden. Niet als we leven volgens de aan de discipel Thomas toegeschreven stelregel: eerst zien en dan pas geloven. Maar het kan ook omgekeerd: vanuit het geloof in Jezus en aangeraakt door zijn levensliefde gaan we de dingen anders en beter zien. Want onze ogen moeten wellicht geopend worden, zoals ook ons denken bevrijd moet worden uit de gevangenschap van zijn eigen patronen tot nieuwe inzichten en vergezichten. Want al blijkt steeds weer dat we in ons denken geen raad weten met de notie van de opstanding, wil dat nog niet zeggen dat het denken ophoudt als het geloof begint. Integendeel, zou ik zeggen, dan vermenigvuldigen zich de gedachten en wordt onze geest bevrijd uit zijn eigen kluisters.


Intellectueel hebben we de nodige moeite met Pasen en opstanding uit de doden. Voor een deel hebben we ons dat zelf aangedaan. Maar hoe is dat existentieel, in ons daadwerkelijke leven? Want daar gaat het toch om! Nu, ik zou denken dat ons leven en ook onze cultuur niet verstoken zijn van tekenen en getuigenissen van het geloof in de opstanding. We leggen ons niet zonder meer neer bij armoede, onrecht, ziekte en dood. Dat zijn geen laatste en definitieve werkelijkheden die we alleen maar gelaten kunnen ondergaan. Al is het onze cultuur te gortig om met de kerk de opstanding van het vlees en de overwinning van de dood te belijden, toch zijn er steeds ook weer overschrijdingen van de doodsgrens, vertouwen in een toekomst en werken voor een toekomst na onze eigen dood. We gunnen dood en ondergang niet het laatste woord. Zelfs bij een uitvaart laten we de gestorvene niet achter in de grote stilte van de dood, maar spreken we nog minstens een enkel woord of zingen we zelfs een lied. Het is niet alles ‘voorbij, ja, en voorgoed voorbij’, zoals de dichter J.C. Bloem het onvergetelijk zei, hoe groot ons verdriet en onze ontreddering ook zijn mag. De woorden staan op Bloems grafsteen en het zou wel op elke grafsteen kunnen staan. Toch is dat niet zo. Minstens moeten we onze doden herdenken wen zo meenemen naar de toekomst.


We mogen in het geloof in de opstanding ook weten van een niet vergeefs lijden en strijden om gerechtigheid. Om vrijheid en vrede. Daarom is ook zinvol dat de herdenking van wie vielen in het verzet tegen de terreur en de verschrikking van het nazidom op de vierde mei, gevolgd wordt door het feest van de bevrijding op deze dag, de vijfde mei. Vergeet het onheil dat de wereld verduisterde (en nog verduistert) niet, maar leef in het geloof dat deze verschrikkingen en beproevingen geen laatste werkelijkheid zijn.


Treffend is de tekst die staat op het monument voor de gevallenen op de erebegraafplaats in de duinen bij Bloemendaal. We vonden die tijdens de voorbereiding van deze dienst en zetten die op de voorpagina van het liturgieboekje. Omdat het 5 mei is, omdat het gaat om het leven vanuit het geloof in de opstanding.


Ik besluit met het begin van het fragment: Verwijl niet te lang bij het verdriet om hen die wij missen…Zoek niet de doden, zoek de levenden. Zoek daar waar dit volk woont en werkt. Zie hoe wijd zijn land is,hoe hoog zijn hemel, hoe dichtbij het ruisen van de geweldige zee.


Dat is opstandingstaal. Gedenk de hoge prijs betaald voor ons leven en onze vrijheid; maar sta dan op en heb dit leven onder de hemel en op de aarde van harte lief.


AMEN (Zondag 5 mei ’13)


(c) Rens Kopmels

[ vorige -  omhoog -  genre - volgende ]