Lettergrootte vergroten Lettergrootte verkleinen
Een weinig roken... Rens Kopmels - Teksten

» Home
» Links
» Contact
» Zoeken
» Nieuws

» Preken
» Meditaties
» Artikelen
» Columns


[ vorige -  omlaag -  genre - volgende ]  Tekstgrootte aanpassen  Tekst afdrukken  Link mailen

Leven en lot

Het boek met deze titel van de Russische schrijver Vasilyy Grossman (1905-1964) mag met recht een van de meest indrukwekkende literaire monumenten van de 20-ste eeuw genoemd worden. Centraal staat het lijden van de Russische mens en het Russische volk in de Tweede Wereldoorlog. Als oorlogsverslaggever maakte de schrijver dit alles van dichtbij mee. Een onafzienbaar leed vanwege de meedogenloze agressie van Nazi-Duitsland (20 miljoen Russen verloten het leven), maar tegelijk onder het hardvochtige communistische regiem van Joseph Stalin, waarin de mens en het menselijke volledig ondergeschikt werden gemaakt aan het staatsbelang en de partijdiscipline. De Russen bevonden zich in de brandhaard van de rampzaligheden die Europa in de vorige eeuw teisterden.


In die hel zoekt Grossman de mensen op en hij beschrijft de objectieve gebeurtenissen en toestanden vanuit hun subjectieve beleving. Dat doet hij met een buitengewoon vermogen tot empathie en met een weergaloze psychologische luciditeit. Hoe is de mens er zelf aan toe onder deze beproevingen: in het krijgsgevangenkamp, in de transporttrein op weg naar de gaskamer of ook als frontsoldaat in de slag om Stalingrad? Nu, de militairen, zowel Russen als Duitsers, zijn onder enig uiterlijk vertoon van dapperheid, zich staande houdend met cynische en grove grappen en een stevige slok wodka van binnen één brok ‘doodsangst, zielenood en verdriet’. Ze leven onder de permanente dreiging vandaag of morgen, net als hun strijdmakkers, ook zelf in het peilloos diepe ravijn van de dood te worden gestort. Jong als ze meestal nog zijn met opkomende herinneringen aan jeugd en geluk of kwellende gedachten aan moeder, vrouw of kinderen.


Ja, de hel bestaat! Het blinde geweld van ijzer en vuur zonder enige consideratie voor arme mensenkinderen. De wereld van geruchten en leugens, van hinderlagen en van verraad dat overal op de loer ligt. Wat toch is de mens? Wat het mensenleven en de zin ervan? Omringd als ze zijn door een redeloze en overmachtige, zij het door mensen veroorzaakte chaos die allen en alles dreigt te verzwelgen en te verdelgen. Alles doet wegzinken in een eeuwig zwijgen, zonder enig antwoord te ontvangen.


Het boek mist een strakke verhaallijn. Het is eerder een grillig epos, een mozaïek van vele korte en onvoltooide verhalen. Dat maakt de lectuur -ook met die talloze moeilijke Russische namen- niet eenvoudig. Het uitvoerigst wordt de geschiedenis van de vooraanstaande natuurkundige Victor Stroem en diens familie ons verhaald. Net als de auteur zelf is Stroem van joodse afkomst, ofschoon hij zich daar nauwelijks van bewust is. Dat wordt op slag anders als zijn eigen moeder, die in Kiev woont, door de Nazi’s gevangen wordt genomen en vermoord. De brief die zij haar zoon nog kan schrijven mag een ‘document humain’ heten en is tevens een van de literaire hoogtepunten in het boek. Plotseling wordt zij uiterst pijnlijk bepaald bij haar joodse afkomst, in de steek gelaten door haar Oekraïnse buren en vrienden en zonder enige vorm van proces gedeporteerd en geliquideerd.


Een volgend diep aangrijpend drama is de dood van Tolja, de stiefzoon van Stroem, soldaat aan het front. De tocht van zijn moeder naar het hospitaal waar hij al gestorven blijkt te zijn en vervolgens haar bezoek aan zijn graf. Het is een hartverscheurend, zeer persoonlijk verhaal, maar tegelijk een symbool van het rauwe verdriet van alle moeders die hun dierbare zonen in de oorlog hebben verloren.


Het boek is ook geschreven vanuit het perspectief van de oprechte communist, de bolsjewiek van het eerste uur, die trouw blijft aan de Waarheid van de Revolutie en aan de Partij. Zonder protest, ja met zijn instemming accepteert hij dat zijn makkers naar het strafkamp worden afgevoerd, ‘zonder recht op correspondentie’. Want hij respecteert het partijbesluit zonder morren, zonder twijfels toe te laten in zijn geweten, al knaagt en kleeft aan dat geweten het schuldgevoel dat hij ook niet meer omziet naar de vrouw en de kinderen van zijn verbannen of geliquideerde strijdmakkers. Vriendschap is onmogelijk, soms levensgevaarlijk. De Partij heeft altijd gelijk. Je daar bij neer te leggen makt je tot een goede communist.


De idee van wat goed is en dat te weten en te erkennen roept het kwaad met een zekere noodzakelijkheid eveneens op. Dat is de overpeinzing van ‘de heilige dwaas’, die als in veel Russische romans ook hier niet ontbreekt. De ketterjachten, de uitschakeling van de vijanden van het goede en de waarheid. De wereldgeschiedenis is er vol van en de geschiedenis van de Sovjet Unie boordevol. Alle tirannie en elk oorlogsgeweld beroept zich op wat goed en rechtvaardig is. Van Herodes tot Hitler. Ook deze laatste beschouwde zich als de Verlosser van Europa. Misschien heeft niets zo veel kwaad losgemaakt dan die eed van trouw aan de idee van de waarheid en aan het ideaal van het goede. Dat kwaad werd onafzienbaar in het Europa midden vorige eeuw. Toch gelooft de heilige dwaas dat er een gratuite goedheid tussen mensen is, die niet door het mateloze geweld in de wereld overwonnen is of ooit zal worden. Een schamele, pretentieloze goedheid die alle wateren van de zee niet kunnen wegspoelen. De mens ziet de mens in diens erbarmelijkheid en doet hem wél in een belangeloze daad van barmhartigheid. Deze heilige dwaas wordt als ‘een ernstig verwarde geest’ beschouwd door wie gelooft, ondanks alles, in de (maatschappelijke) verwezenlijking van het ideaal van het goede en het ware. Maar zolang deze liefde er is, is er hoop. Dat moet niet omgekeerd worden. De hoop volgt op de liefde en ontspringt uit de liefde, maar hoop zonder liefde, zonder oog en hart voor de mens en het menselijke verkeert uiteindelijk in hardvochtigheid. De door waarheid en goedheid bezielde en gedreven mens verstaat dat niet. Hij wil immers alleen het goede en het ware. Dat is de heilige inzet van zijn leven en hij is zelfs bereid zijn leven daarvoor op te offeren. Maar deze edele passie verandert in haat en wreedheid als zij de naaste in diens anders-zijn en dissidentie als een obstakel en als een vijand ziet, die uit de weg geruimd moeten worden.


Grosman beziet de gebeurtenissen dus ook met de ogen van de trouwe en gelovige bolsjewieken. Degenen die niet door pragmatische of opportunistische motieven gedreven worden en zich aan de waarheid van de Revolutie en de Partij gewonnen hebben gegeven, zich daaraan vastklampen, maar daarin ook blind zijn geworden voor wat er werkelijk onder hun ogen zich afspeelt. Want de vormen en de leuzen bleven, maar de inhoud en de strekking van het socialisme veranderden, met name eind jaren dertig met de beruchte politieke schijnprocessen. De oprechte gelovigen waren misschien erger in hun waarheidsfanatisme dan de opportunisten, maar uiteindelijk ook de meest tragische slachtoffers. In hun oprechtheid vertellen ze de waarheid en niets dan de waarheid over hun kameraden en collega’s en dan is elk licht vergrijp of afwijking een reden deze opzij te schuiven en dat op een meestal uiterst hardhandige en grondige manier. Maar ook deze meest oprechten konden er op wachten dat het vroeg of laat ook hun beurt zou zijn.


Wie of wat is er opgewassen tegen de macht van de staat, de terreur, de oorlog, kortom tegen de onverbiddelijkheid van het lot, dat het leven nagenoeg bepaalt en in zijn greep houdt? Grossman tekent de mensen in hun lafheid en dapperheid, hun kleinzieligheid en grootmoedigheid. Daarin doet hij sterk aan Anton Tsjechov denken. Zij oordelen mensen niet, maar benaderen en zien hen in hun wankele menselijkheid, in hun glorie en misère. Hun leven is vaak niet meer dan een flard van leven. Het eindigt ontijdig en onvoltooid. Het einde is moeite en verdriet, niet zelden bittere ontgoocheling.


Dit boek moest geschreven worden, al heeft de auteur er aan gewanhoopt of het ooit gepubliceerd zou worden en dat ook niet meer meegemaakt. Pas 25 jaar na zijn dood verscheen het voor het eerst. Maar moet het ook gelezen worden? Het is zwarte literatuur. Ik durf het niet zonder meer iedereen aan te bevelen. Maar het is de vraag of we het leven en het levenslicht werkelijk kunnen genieten en liefhebben als we hier de blik afwenden en zonniger kanten van het leven prefereren. Ik geloof dat niet. Waarachtig menselijk leven is dat lijden en dat vaak zo zinloze sterven indachtig zijn en weten van de fragiliteit en het niet vanzelfsprekende van het ons lieve leven. Weten van de hoge prijs die ervoor betaald is- en wordt. Voorbij aan elk nobel idealisme of cynisch realisme van harte graag leven. Liefhebbend en lef hebbend. Niet door de verschrikking en de ellende van onze tijd te vergeten, te verdringen of te ontwijken in verstrooiing, amusement of esthetische genietingen, maar door ze te gedenken en ze –op eerbiedige afstand- te doorleven. Zonder daarbij alle hoop te laten varen. Want geloven in hel en verdoemenis als laatste werkelijkheden moeten we toch maar niet...


Uit: In de Waagschaal, november 2014


(c) Rens Kopmels

[ vorige -  omhoog -  genre - volgende ]